Zunke leert grenzen trekken. Op zijn Italiaans.

22-08-2011
Zunke
Zunke leert grenzen trekken. Op zijn Italiaans.

Zunke is van binnen vaak niet ouder dan een kind van vier jaar, maar als ze de zon voelt, spreekt ze weer net als toen. Over de dingen.

Een paar dagen geleden hadden we het hier aan tafel over grenzen trekken en mensen vertrouwen schenken. "Ik vertrouw mensen nooit direct, bij mij moet je mijn vertrouwen eerst winnen," zei vriendlief. Daar keek ik van op. Ik vertrouw mensen altijd snel. Mijn vertrouwen krijg je en kun je dus kwijt raken. "Daarom word jij ook vaker teleurgesteld. Als je grenzen stelt, gaan mensen er niet zo snel over heen, anders wel," was het antwoord. Die nacht droomde ik van Filipo en onze laatste vakantie in Italië.

"Do you still have room?", vraag ik, bij gebrek aan kennis van Italiaans. "No room, this is camping," antwoordt de camping-eigenaar gedecideerd. Een Pietje Precies, besef ik. "Do you still have space?", herformuleer ik. Ik ben moe. Dit is al de zoveelste camping die we binnen rijden, maar tot nog toe kwamen we nergens verder dan de slagboom wegens 'completo.' "Yes, we have space," antwoordt hij nu als een tevreden schoolmeester. Ik haal opgelucht adem en steek mijn duim op naar vriendlief die verderop geduldig in de auto zit te wachten.

Catweazle

Even later rijdt hij stapvoets naar ons plekje onder de citroenbomen, terwijl ik met de campingmeneer meeloop, die mij bij nadere inspectie aan Catweazle doet denken, ook zo'n spichtig wezen. Hij moet al in de zeventig zijn, maar neemt zulke reuzenpassen dat ik hem amper kan bijhouden. "How big is your tent?", vraagt hij als hij eindelijk stil staat en ik nog op adem moet komen. Vriendlief en ik kijken elkaar vragend aan. Eerlijk gezegd: we weten niet meer exact hoe groot onze tent is. Het is alweer een jaar geleden dat we het ding hebben gebruikt.

"About that big," antwoord ik dus maar, terwijl ik wijs naar een andere tent aan de overkant. Vriendlief knikt licht instemmend, maar ik zie dat hij het ook niet meer weet. "Yes, about that big," knikken we nu allebei naar Catweazle. Wij hebben beiden weinig zin om weer verder te trekken, want we hebben honger, dorst en zijn héél moe.

Catweazle twijfelt, maar we krijgen het plaatsje tot onze opluchting toegewezen. We kunnen een lichte zucht niet onderdrukken, maar wachten er wel mee tot Catweazle besluit zijn hielen te lichten. Nog niet helemaal overtuigd loopt hij weg, terwijl hij links en rechts kijkt of alles nog in orde is op zijn grasveld onder de citroenbomen. Vlak voor de bocht werpt hij nog een laatste blik over zijn schouder voor hij als een hazewind om de hoek verdwijnt. Ik kijk naar de stofwolk die er niet is, maar die Filipo in mijn gedachten achterlaat door zijn enorme snelheid. In lopen en in reageren.

Grenzen stellen op zijn Italiaans

Algauw blijkt dat onze tent amper tussen de vier citroenbomen past. Wat is-ie groot? Hoe konden we dat vergeten zijn? We zweten, proberen het nog eens andersom, schuiven eens naar hier en naar daar, tot we na een uur eindelijk de beste positie hebben gevonden die weliswaar allesbehalve ideaal is, want onze tent hangt behoorlijk door, maar ach: we kunnen slapen en dat is het enige dat telt.

Alleen de touwen die de hele boel recht houden, steken hier en daar uit over het plaatsje van de buren, die we niet hebben, dus dat kan geen probleem zijn. Eindelijk ploffen we neer op onze klapstoeltjes om te genieten van een welverdiend koud biertje. We hebben ons blikje nog niet open getrokken of daar komt Catweazle opnieuw wild gesticulerend aangelopen. "Big problemo", roept hij, "big, big problemo..."

We kijken hem geschrokken en verbaasd aan. Hij klinkt boos. En inderdaad. Onze tenttouwen staan véél te ver buiten het ons toegewezen plekje, legt Catweazle uit. Ze mogen maar tot 'hier' en 'niet verder' en hij wijst hierbij met grote precisie naar plaatsen op de grond. Geschrokken kijken we het mannetje aan. We knikken braaf, hijsen ons omhoog, krabben eens achter onze oren en lopen dan maar een rondje rond de tent: hoe gaan we dit fiksen? Als mijn vriend de touwtjes even later aan de bomen heeft vastgebonden, nadat we de tent nog wat hebben samengeperst, kunnen we eindelijk opgelucht adem halen.

Nog moe van de reis hangen we onze hangmatten op. Om de tweede hangmat te kunnen ophangen, verplaatsen we de auto een meter. Gelukkig is er daar plaats zat. Dat is buiten Catweazle gerekend. Uit het niets springt hij voor ons uitklaptafeltje, als een duveltje uit een doosje. Voor de tweede keer binnen een half uur spreekt hij ons vermanend toe. "Nooooo, nooooo, nooooo," roept hij, alweer wild gesticulerend. "This is impossible." Verschrikt kijken we hem aan. Wat hebben we nu weer fout gedaan? We versperren de weg, legt hij uit.

Welke weg? Nu pas ontdekken we dat het strookje zand naast onze tent dat leidt naar een wei achter de onze, waar momenteel overigens geen enkele tent staat. We verplaatsen gedwee de auto naar de plaats die Catweazle ons, weer zwaaiend met zijn twee armen en wéér met grote precisie, aanwijst. Nog even en we vliegen hier buiten.

We houden ons die dag verder koest als twee bestrafte kinderen die maar beter op hun tellen kunnen passen. Voorbij de grenzen In de dagen die volgen, stellen we opgelucht vast dat wij niet de enigen zijn die Filipo, zoals ons driftig baasje blijkt te heten, soms de gordijnen injaagt. Zo horen we hoe hij mensen verderop terecht wijst die hun spaghetti hebben afgegoten tegen een van de citroenbomen die hier niet tegen kunnen, dixit Filipo.

Niets ontsnapt aan zijn haviksogen, die voor zijn leeftijd nog een bijzondere scherpere blik hebben. We horen hem hardop en met veel gevoel voor theater mopperen tegen iemand die lege glazen flessen bij het restafval gooit, terwijl de glasbak er toch echt naast staat, en we zien hem voortdurend aanwijzingen geven hoe de camper, auto of caravan exact moet komen te staan en geen centimeter meer naar links of rechts. Tot hier en niet verder. Hij is zeker geen makkelijk ventje, onze Filipo.

Toch hebben we ons na een paar dagen met zijn aanpak verzoend. "Het komt ook door zijn gebrek aan kennis van de Engelse taal', verdedig ik hem tegenover mijn vriend als we nippend van ons wijntje zien hoe weer een andere campinggast de wind van voren krijgt. "Hij is een Italiaan: veel temperament, maar niet echt boos," voeg ik er aan toe. "Ja", beaamt vriendlief. "Het is trouwens ook het einde van het seizoen, hij is vast ook moe," zegt hij.

Eigenlijk mogen we Filipo intussen wel, want na een paar dagen ontdekken we namelijk ook enkele pluspunten aan hem. Hij geeft geweldige tips om de omgeving te verkennen, niet de toeristische praatjes die je verwacht, maar tips die je naar onbekende en onaangeroerde plekjes voeren. Hij wijst je kleine paadjes naar het nabijgelegen stadje, die je zelf nooit zou vinden, en we ontdekken dankzij hem grotten die ver buiten het oogveld van toeristen blijven.

Hij is dan ook apetrots op zijn streek en voert je steeds mee naar zijn rommelige kantoortje waar de boeken tot het plafond zijn gestapeld en zijn bureau bezaaid is met mappen en papieren. Uitvoerig geeft hij tekst en uitleg. De bus- en treintijden, schrijft hij op een frommelig papiertje dat hij je aan het einde van het gesprek toestopt alsof het een relikwie betreft.

Hij waarschuwt je ook voor oplichters die het gemunt hebben op naïeve toeristen, vertelt je tot drie keer toe welke trucs ze gebruiken en hoe hier onderuit te komen. Filipo is, bij nader inzien, behoorlijk en meer dan gemiddeld begaan met zijn gasten en bepaalde gasten, degenen die de camping op zijn kop zetten en hem niet respecteren, is hij simpelweg liever kwijt dan rijk. Geld is voor hem dan van ondergeschikt belang.

Na een paar dagen zwaait hij ook vrolijk naar ons als we na een uitstapje terugkeren naar onze 'veel te grote' tent. Ook wil hij alles weten: Was het leuk? Waar hebben we gegeten? Is dat een adresje dat hij mensen kan aanbevelen en hoe was het adresje dat hij ons zelf had meegegeven? Reden de bussen op het door hem aangegeven uur of was de nieuwe dienstregeling al ingegaan, want dat moet hij natuurlijk als campingbaas wel weten.

Ook is hij zelf bijna gelukkiger dan wij als wij de Vesuvius gaan beklimmen op de volgens hem meest heldere dag van het jaar. Na afloop wil hij alles horen en wij vertellen het hem. In geuren en kleuren.

Filipo is trouwens meer dan degene die de plaatsen aanwijst, hij staat ook in voor het onderhoud, bemant de receptie, is altijd in de buurt van zijn winkeltje en ziet er ondertussen dus ook telkens op toe dat iedereen zich op de juiste manier op het juiste plaatsje installeert. Dat doet hij steevast door met twee armen te zwaaien en aan te geven hoe je je tent, auto of camper moet zetten.

Maar 's middags, als het siësta is, leest hij een boek in de schaduw van zijn patio en zet hij een klassiek muziekje op, gaat de fontein aan en is hij meer zen dan Boeddha himself. We ontdekken ook dat deze kleine camping eigenlijk gewoon vraagt om precisiewerk. Als het kleine terrein na een paar dagen volstroomt, kan er nog amper een tentje bij. Als hij die grote camper elders had laten staan, hadden die twee tenten er nooit meer bijgepast....

Filippo runt de camping dan ook al 32 jaar, leren wij tijdens de middagen dat we hem steeds vaker vervoegen op zijn patio, waar het bier koud is en de koffie smaakt zoals hij hoort te smaken. Na 32 jaar kent hij elke grasspriet op zijn terrein, dat hij bovendien elke dag vanaf klokslag zeven uur zelf aanveegt met een heksenbezem, waarbij hij zo fanatiek is dat je er wakker van wordt. Maar ook dat vinden we niet erg, want de bezem is voor ons een vertrouwd geluid, waardoor we weten: tijd om op te staan.

Ton uit Nederland

Als we Ton uit Nederland zien arriveren - "Hallo, ik ben Ton uit Nederland," roept hij al direct door het open raampje - gaan we meteen op het puntje van onze klapstoeltjes zitten. Ton is, dat zie je zo, lekker ruw en onbeholpen. Ton heeft ook een enorme caravan die hij heeft geleend van vrienden en dus ook niet kent.

Zeker niet qua formaat, zo blijkt al snel. We zien hoe Ton eerst bijna een paar door Filipo zo geliefde citroenbomen velt om dan zijn auto nonchalant te parkeren met de neus ver over de centrale weg. Ton en zijn vrouw kieperen de stoelen en alle andere rotzooi all over the place en besluiten éérst een lekker blikje bier open te trekken voor ze er aan beginnen.

Wij zitten stilletjes voor onze tent. Wij beseffen dat we op de eerste rij zitten in een Italiaans theater en dat het spektakel bijna gaat beginnen. We nippen nog eens van ons wijntje, rechten de rug en wachten geduldig af. We hoeven niet lang te wachten. Nadat Ton zich intussen in zijn veel te strakke zwembroek heeft gehesen, zijn schoenen heeft omgeruild voor een paar zwarte Crocs en een piepklein handdoekje over zijn schouders zwiert - klaar om te gaan douchen - komt Filipo op hoge poten aangelopen.

Wij zitten nu echt op het puntje van onze stoel. Met veel gevloek in Italiaans en Engels krijgt Ton, die zich echt van geen kwaad bewust is, de wind van voren. Terwijl Ton, dat zie je ook zo, normaal nooit om een praatje verlegen zit, laat staan zich de les laat lezen, voor deze keer toch niets anders kan doen dan zwijgen en in zijn slordig geparkeerde auto stappen.

Die wordt door Filipo namelijk resoluut verbannen naar de kleine parkeerplaats bij de receptie. Als Ton vijf minuten later - nog altijd in zijn veel te strakke zwembroek én op zijn veel te grote Crocs - terugkeert, ziet hij ons weer zitten. We proberen net te doen alsof we niets hebben meegekregen van alle spektakel en van niets weten.

"Heftig baasje," roept Ton. "Och, hij valt wel mee", antwoord ik. "Hij went." Ton weet het nog niet zo, maar hij zwijgt en vertrekt liever fluitend naar de douche. Ton is nooit echt gewend geraakt aan Filippo moet ik eerlijk toegeven. Op de derde dag liep hij weer eens langs onze tent op zijn Crocs, die nog nat van de douche een dof zompig geluid maakten dat je al van ver hoorde, en riep hij naar ons: "Nou, wij hebben het hier wel weer gezien. We hebben gisteren Pompeii gedaan, de Vesuvius interesseert mij niet: als je één vulkaan hebt gezien, ken je ze allemaal, Napels is ons zwaar tegen gevallen, maar Sorrento (toeristisch oord met Engelse Fish & Chips op elke hoek) vonden we dan weer wel enig, maar wij rijden nu lekker verder naar het zuiden, want daar zijn de stranden beter, dus: Doei."

We hebben Ton nog geholpen bij het vastkoppelen en wegrijden - met de veel te grote caravan van zijn vriend - en hebben hem en zijn vrouw vrolijk uitgezwaaid.

Toen we zelf een paar dagen moesten vertrekken, wegens einde vakantie, en afrekenden met Filippo kregen we nog een fiks korting, bovenop de korting van einde-seizoen. Bij het afscheid zei Filippo niet een, maar meerdere keren dat hij hoopte dat we nog eens zouden terugkeren.

Ook haalde hij uit zijn enorme stapel rommelige papieren een foldertje van de camping tevoorschijn dat hij ons toestopte. Als een relikwie.

Het ding met mensen die van te voren grenzen trekken, is dat je ze eerst beter moet leren kennen. Uiteindelijk heb je er meer aan dan mensen die direct zeggen dat ze je beste vriend zijn en je daarna een mes in de rug steken of je bij de eerste tegenslag laten vallen als een baksteen. Dat besef ik nu ook. Ik kan nog een hoop leren van Filipo en zijn grasveldje onder de citroenbomen.

Als je ooit in de buurt van Napels bent, rijdt dan bij Vico Equense naar beneden tot het water. Daar ligt het piepkleine havendorpje Seiano. Het is het twee na laatste straatje naar links. Je herkent het aan de citroenbomen. Maar je vindt het zeker. Zorg wel dat je tent niet te groot is en doe Filippo de hartelijke groeten van mij.

Zunke

Zunke op Facebook.

Tags: columns, zunke
 

Reageren

  • HTML niet toegestaan. URL's worden automatisch clickable.
    * E-mail adres wordt niet getoond