“Geweldig als ik iemand op straat in mijn kleding zie lopen”

25-07-2011
Niki
“Geweldig als ik iemand op straat in mijn kleding zie lopen”

Modeontwerpster Annelies Braeckman is perfectionistisch én passioneel. Dat moet ook wel, want sinds ze enkele jaren geleden haar collectie Frankly lanceerde doet ze alles zelf. Momenteel levert ze haar wintercollectie 2011/2012, werkt ze de zomercollectie 2012 af en tekent ze de wintercollectie 2012. Wat de wintercollectie 2011 betreft, die is - zoals al haar collecties - stijlvol, puur, eenvoudig, vrouwelijk én met iets meer kleur dan we gewend zijn van Frankly. "Mensen hebben in tijden van recessie nood aan meer kleur en positivisme."

“Je hebt modeontwerpers die liever conceptionele kleding ontwerpen, maar mijn collecties zijn draagbaar,” steekt Annelies Brackman van wal. En haar kleding is draagbaar, want niet alleen in de pers krijgt ze lovende kritieken, ook in het straatbeeld duikt Frankly steeds vaker op. “Niets is leuker als iemand op straat tegenkomen in jouw kleding. Ik heb het al een paar keer meegemaakt.” 

Hoewel mode haar grote passie is, staat Annelies Braeckman ook met beide voeten op de grond. Dat moet ook, want een eigen collectie, betekent bovenal hard aan de weg timmeren. “De modewereld heeft zijn eigen systemen en je moet je aan de gemaakte afspraken houden, je collecties op tijd voorstellen en leveren. Je kunt niet zeggen: ik sla even een seizoen over. Dat gaat gewoon niet.

Dat de modewereld niet altijd glamour en rode lopers betekent, weet Annelies Braeckman al sinds ze Frankly startte, enkele maanden voor de economische crisis losbarstte in 2008. “Ik zeg niet dat ik daar veel last van heb gehad, maar winkels wachten toch wat meer af. Dat betekent dat je jouw collecties enkele keren moet komen voorstellen, voordat ze ook met je in zee gaan. Ik heb nog niet het budget om modeshows te organiseren, dus dat betekent zelf je research doen, zelf winkels contacteren en ze bezoeken met je lookbook. Toch mag ik niet klagen. Soms wil je dat het allemaal wat sneller gaat, maar de wintercollectie 2011/2012 verkoopt al goed.” 

Wilde je als kind al graag dit vak in?

“Die passie voor mode heb ik van thuis meegekregen. Niet dat ik uit een modefamilie kom, maar mijn moeder maakte veel kleding zelf, ze breide en mijn grootmoeder zat altijd te haken - iets dat ik zelf trouwens niet kan - maar al die kleuren en stoffen en modemagazines bij ons thuis, dat trok mij aan. Ik studeerde ook niet zo graag, dus koos ik op de middelbare school al voor de moderichting. Dat deed ik wel graag. Zo leerde ik patronen maken en stikken. Die vakkennis komt mij nog altijd van pas. Het was ook een goede basis voor de modeacademie die ik daarna ben gaan volgen.”

Lijkt mij een aparte wereld waar je dan in terecht komt.

“Ja (lacht). Ik kwam dan uit zo’n klein dorp, ergens tussen Aalst en Gent en had altijd op katholieke meisjesscholen gezeten. Ik was ook heel jong: achttien jaar. Daar zat ik dan ineens tussen mensen van midden twintig en zelfs dertig. In het begin trok ik wel vaker mijn ogen open, want er liepen zeer excentrieke mensen rond. Maar eigenlijk werd iedereen geaccepteerd. Je hoefde niet speciaal of excentriek te zijn. Je werd ook niet gepusht in je stijl, maar kreeg de ruimte om je eigen stijl te ontwikkelen. En ik bleek ook in mijn ontwerpen veel minder excentriek dan anderen. Ik wilde toen dus al draagbare, commerciële kleding ontwerpen. En die ruimte kreeg ik ook.”  

Hoe omschrijf je jouw stijl?

“Ik zou mijn stijl zelf omschrijven als puur, vrouwelijk, geen toeters en bellen... Ik zou het liefst ontwerpen door één enkele streep op papier te zetten. Ik houd nu eenmaal van eenvoud. Dat is moeilijk, maar ik voel dat er een doelgroep voor is. Dat voel ik ook in de winkels waar mijn collecties worden verkocht. Mijn kleding is ook tijdloos en ik gebruik meestal sobere kleuren. Soms zeggen mensen wel eens: “Gebruik eens wat meer kleur.” Maar de keren dat ik dat heb gedaan, bleek die kleding te blijven hangen, dus ik houd het nu op de minder opvallende kleuren. Ook omdat ik niet de budgetten heb om veel stoffen in allerlei kleuren en prints in te kopen, baseer ik mij nu op eenvoudige thema’s uit de jaren zeventig, tachtig en negentig.”

Bij jouw afstuderen vond je al direct werk? Hoe ging dat?

“In je laatste jaar moet je jouw collectie voorstellen aan een internationale jury die bestaat uit grote modeontwerpers. Zo zat Alexander McQueen in mijn jury. En verder dus ook Mister Kurino van het modemerk United Arrows uit Japan. Hij vroeg mij om een kinderlijn te ontwerpen voor United Arrows, een enorm grote winkelketen in Japan met eigen merken. Ik werkte hoofdzakelijk thuis, hoewel ik in die tijd ook geregeld naar Japan ben geweest. Of we spraken af in Parijs op de stoffenbeurs. Als zelfstandige heb ik toen veel werk aangenomen. Zo heb ik ook voor Dries van Noten gewerkt. Ik zag het allemaal als een goede leerschool. Ik deed dat graag, reisde veel en ondertussen pikte ik op. Je legt ook goede contacten, die mij nu goed van pas komen. Ik dacht in die tijd trouwens niet aan een eigen collectie. Ik vond mijzelf daar nog niet klaar voor.”

Wanneer wist je wel dat je er klaar voor was?

“In 2008. Ik ben juist voor het uitbreken van de crisis gestart. Ik weet niet of dat uiteindelijk iets heeft uitgemaakt, want voor jezelf beginnen is altijd moeilijk. Voor winkels is het natuurlijk ook een investering om jouw collectie aan te kopen. Wat ze vooral belangrijk vinden, is dat je er na twee seizoenen niet ineens de brui aan geeft. Ze willen de zekerheid dat ze elk seizoen op je kunnen rekenen en dat jouw kleding verkoopt natuurlijk.”

Ik kan mij voorstellen dat het feit dat je voor Dries van Noten hebt gewerkt een goede referentie is.

“Zeker is dat een goede referentie, maar het is niet omdat je voor Dries Van Noten hebt gewerkt dat alle deuren direct wijd open gaan. Die tijden zijn voorbij. Iedereen moet er hard voor werken, want er komt veel te veel bij kijken als je je eigen collectie op de markt brengt. Ik denk wel dat het vroeger allemaal iets vlotter ging. Ik hoor dat ook van anderen. Vroeger kon het allemaal niet op.”

België staat op modegebied hoog aangeschreven. Is er ook veel concurrentie van beginnende ontwerpers uit andere landen die vanuit België werken?

“Veel buitenlandse studenten van de modeacademie blijven hier inderdaad hangen en werken dus vanuit België. Maar ik houd mij niet teveel bezig met externe factoren en werk gewoon stap voor stap aan mijn eigen collectie.”

Toch heeft mode het imago van een leven vol glamour en rode lopers.

“Inderdaad, maar dat is niet zo. Misschien komt dat door de grote modehuizen en de banden die er zijn met grote sterren uit de filmwereld. Grote modehuizen uit Parijs en Londen kleden graag filmsterren, er zijn zelfs bureau’s die sterren betalen om naar een modeshow te komen. Dat gebeurt hier in België veel minder.”

Is er een ster die jij graag in jouw creaties over de rode loper zou zien lopen?

“Ik vind dat moeilijk. Momenteel verkoop ik vooral in België. Hoewel ik nu wel contacten heb gelegd in Nederland. Dat begint ook te vlotten. Ik wil mijn kleding eigenlijk niet aan één bekend gezicht koppelen. Ik wil kleding maken voor iedereen. Het is niet de bedoeling dat ik er een bekende persoon in ga steken. Ik zei het al: ik vind het geweldig als iemand op straat mijn kleding draagt. Ik zag laatst een vrouw in een topje van mij en ik zei: “Mevrouw, u hebt iets van mij aan.” Fijn was dat. En zij vond dat ook leuk.”

 
Omschrijf de zomercollectie 2011 van Frankly eens voor ons?

“Zomercomfort en jurken zijn het ‘statement’ voor de zomercollectie  2011. Ik heb mij gebaseerd op zowel de jaren vijftig als de jaren negentig voor deze collectie. Toen stromingen in kleding ontstonden, maar iedereen over het algemeen van alles door elkaar droeg. De jurk, hét kledingstuk van de vrouw in de jaren vijftig, is zowel voor een alledaagse gelegenheid als voor het werk te dragen en varieert van geklede versies tot meer sportieve modellen. De jurken hebben ook de typische snit uit die tijd of zijn losser en doen ons door de drapage denken aan de jaren negentig. De topjes, rokken en jurken hebben een dieren- of slangenprint in een lichte viscose of luchtige zijde-katoen. Verder bestaat de zomercollectie uit bruine- en taupé-tinten, te combineren met modellen in linnen-katoen en effen écru en taupé. Hoewel zwart deze zomer geen hoofdkleur is, is ze wel terug te vinden in een ruitmotief, licht transparant en in een mengeling van linnen, katoen en viscose. Topjes en cardigans, effen of met een streeppatroon, zijn op verschillende manieren perfect met elkaar te combineren, maar dagen ook uit om zelf te kiezen hoe en op welke wijze ze met elkaar worden gedragen. Het eindresultaat is stijlvol en vrouwelijk. Dat is wat ik met Frankly voor ogen heb.”

Wat is er typisch aan de nieuwe herfst- en wintercollectie 2012?

“Ik wil met Frankly altijd een totaallook neerzetten: een broek, een rok, een vest, een jas...alles wat je nodig hebt om je garderobe te vullen. Ik wil ook kleding ontwerpen die geschikt is voor diverse gelegenheden. Alles is goed met elkaar te combineren en ook met andere collecties. Ik baseerde mij op de mode van de jaren zestig, niet de retro-look uit die tijd, wél de klasse van een stijlicoon als Jacky Kennedy die verfijning en stijlvolle eenvoud naar een heel nieuw niveau tilde. De mode van toen werd verder gekenmerkt door eenvoud, klasse én stijl. Al deze typisch kenmerken heb ik vertaald naar het heden. De blazers in wol en jersey zijn gebaseerd op de ‘brave’ stijl die Jacky Kennedy zo vrouwelijk onder de spotlights bracht. Toch zijn de modellen losjes van model én uni-seks. De jaren zestig waren namelijk ook het begin van de uni-seks mode: vrouwen begonnen in die periode ook broeken te dragen. De gedrapeerde tops en jurken zijn gebaseerd op de meer ‘sobere’, lees: ontdaan van franje en tierelantijntjes, verfijnde en elegante mode die uitdrukt dat het belangrijk is iemand te zijn, een eigen pure identiteit te hebben en zelfvertrouwen uit te stralen. Dat kan met de gedrapeerde jurk in lichte viscose-wol of in een geprinte katoenzijde of een licht gedrapeerde top in dezelfde stoffen. Andere tops zijn er ook met wijd openvallende polosluitingen met drukknoopjes, die ook verwerkt zijn in een jurk met een sportief, spontaan en vrouwelijk karakter met een rechte, eenvoudige snit, ook weer typisch voor de jaren zestig. Ik heb behalve de zwarte, beige en grijze winterkleuren, meer dan bij andere najaarscollecties, ook gebruik gemaakt van kleur. Ik laat mij verder inspireren door de stoffen zelf. Ik moet eerst de stoffen voelen en dan weet ik wat ik er van kan maken.” 

Zijn er een paar mensen die de trends bepalen? 

“Er zijn gekende stylisten die met grote modehuizen werken en die dan voorspellen: “Rood is dé kleur volgende zomer. Dan zie je dat de grote modehuizen die trendvoorspellingen wel volgen. Vroeger was het veel aanwezig: de seizoenen en de bijbehorende trends. Dat is nu anders. Mensen zoeken hun persoonlijke voorkeuren bij een bepaald merk en niet zozeer op kleuren of ruitje. Ik voel die echte modetrends veel minder dan vroeger.”

Waar komt de naam Frankly vandaan? Ik moest direct denken aan: “Frankly my dear, I don’t give a damn” uit de filmklassieker Gone with The Wind?

“Ik vind dat een mooie zin, maar dat besefte ik pas later. Frankly slaat op de betekenis ervan: eerlijkheid en oprechtheid. Ik wilde mijn eigen naam niet aan mijn collectie verbinden. Bij een eigen naam verwachten mensen algauw een designer met een eigen modeshow en een eigen winkel. Ik vond Frankly direct mooi: gewoon eerlijk en puur. Plus: ik ben zelf ook ‘frankly.’ Ik bedoel: ik zeg graag mijn eigen mening.”

Draag je je eigen kleding?

“Deze broek is van mijn hand, maar dan van een eerdere collectie. Dit topje ook. Ik probeer inderdaad zoveel mogelijk mijn eigen kleding te dragen, ook om de pasvorm te testen én te kijken hoe mensen er op reageren. Als ik ergens trots op ben, is het op het feit dat ik veel goede reacties krijg op de pasvorm, maar die test ik dus altijd zelf. Natuurlijk hebben mensen ook wel eens op- of aanmerkingen. De feedback die ik van mensen krijg, neem ik sowieso ook altijd mee in de volgende collectie. Als mensen bijvoorbeeld zeggen: “Annelies, dit topje verkoopt beter als het iets lager is uitgesneden” of: “deze broek moet je iets lager laten vallen”, neem ik dat altijd ter harte. Ik baseer mij bij nieuwe collecties dus vooral altijd op kritiek om mijzelf steeds te blijven verbeteren. Het is nooit perfect, maar daar streef ik wel naar.”

Je bent erg perfectionistisch?

(Zucht). “Soms wel té, ja. Maar goed: je moet jezelf blijven verbeteren, blijven bijleren. Je valt ook altijd op nieuwe stoffen en dan moet je ook steeds opnieuw leren hoe die zullen vallen. Of je ziet een mooie siersteek op tweedehands-kleding, die je ook wilt toepassen. Hoe eenvoudig mijn kleding ook lijkt, er zit een enorme ontwikkeling achter. Iets eenvoudigs maken is vaak veel moeilijker dan iets maken wat er heel ingewikkeld uitziet.”

Welke stoffen gebruik je?

“Ik werk graag met wollen stoffen. Ik heb nu een combinatie van wol met viscose gebruikt. Daar werk ik graag mee, omdat dat heel mooi valt. Crêpe valt ook altijd heel mooi. Voor de zomercollecties gebruik ik natuurlijk meer katoen, maar liefst van al werk ik met winterstoffen.”

Hoe zie jij je toekomst? Welke dromen wil je nog realiseren?

“In de eerste plaats wil ik dit blijven doen. Verder wil ik groeien, maar niet te snel. Ik wil het kunnen bijbenen. Daarom wil ik nu ook nog niet op de beurs staan in Parijs. Als je ineens klanten hebt in Duitsland en Italië vergt dat een andere aanpak en communicatie. Ik moet de juiste vervoersdocumenten regelen.... Daar heb ik nu niet de tijd voor. Ik wil dat pas doen als ik er iemand bij kan nemen. Ik wil die stap niet te vroeg zetten en het dan niet kunnen waarmaken, want dan ben je die klant voorgoed kwijt. Ik wil dat wel: naar het buitenland. Dat is mijn droom, maar wel stap voor stap.”

Meer Frankly.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageren

  • HTML niet toegestaan. URL's worden automatisch clickable.
    * E-mail adres wordt niet getoond