Uit een onbezorgd kinderleven (3)

22-09-2015
Redactie
Uit een onbezorgd kinderleven (3)

Het voorjaar kwam en het werd zomer. Was het een jaar later of waren het er toch twee? Onverwacht, volkomen onverwacht, veranderde de sfeer in huis. Tante Neelke werd levendiger, ze was opgewekter als we door het dorp liepen, op weg naar de een of de ander. “Volgende week, over een paar dagen, morgen al”. Ze was daar heel pertinent in en inderdaad, deze keer had ze gelijk. Komt er aan al die moederloze dagen een eind? Komt moeder Paula eindelijk weer naar huis, naar haar kinderen? Het laatste deel van Uit een onbezorgd kinderleven.

Dat bijna vergeten vroege voorjaar van 1950, winter was het nog. Tante Lena Nouwen was al heel lang weg, opa Brouns dood en begraven in Thorn, ons kleine zusje in Wessem, mijn moeder uit mijn nieuwe wereld verdwenen. 

Ook al speelde ik veel met buurtkinderen op straat, het gemis zeurde als een ontstoken wond. Geen alles overweldigend verdriet voelde ik, het was meer als een vlekje in een ooghoek dat niet wilde verdwijnen hoezeer ik ook knipperde. Ik wilde ervan af, maar het bleef aan me kleven en knaagde, hoe hard ik af en toe ook rende en sprong. Al die vreemde, kille maanden waarin ik soms midden in de nacht wakker werd, omdat ik dacht dat ik mijn moeder hoorde, met mijn vader op hun kamer. 

Ingespannen en klaar wakker lag ik te luisteren, het enige geluid dat ik hoorde was de ademhaling van Rens, in zijn spijlen bed aan de andere kant van de kamer. Als Rens sliep sabbelde hij op z’n duim, overdag vond hij zichzelf daarvoor te groot. Alleen, ongewoon alleen in mijn te grote bed miste ik Riety, mijn grote zusje, dat beneden sliep bij tante Neelke.

'Denk maar aan iets vrolijks' 
Als de maan naar binnen scheen door het dakraam, zag ik de lichtvlek langzaam verschuiven van het bed van Rens naar de dubbele deuren van de grote muurkast. Ik was bang voor die kast, want daarin stond de doos met beelden van Kerstmis. Heel mooie beelden vond ik het, vooral dat van die herder met een lam op zijn schouders.

Behalve die nare, grote kameel die in de nacht steeds groter en woester werd. Die reusachtige kameel stond achter de deur van de kast die van de vloer tot het plafond reikte. Hij gluurde naar me, met één oog door het spleetje van de deur. Ik wilde opstaan, roepen, maar mijn keel zat dicht van angst. Ik wist trouwens het antwoord al: die kameel is van gips en zit ingepakt in krantenpapier, met een touwtje er omheen, helemaal onderaan in de doos. Denk maar aan iets vrolijks, aan wat gisteren deed en wat je morgen gaat doen.

Het voorjaar kwam en het werd zomer. Was het een jaar later of waren het er toch twee? Onverwacht, volkomen onverwacht, veranderde de sfeer in huis. Tante Neelke werd levendiger, ze was opgewekter als we door het dorp liepen, op weg naar de een of de ander. “Volgende week, over een paar dagen, morgen al”. Ze was daar heel pertinent in en inderdaad, deze keer had ze gelijk.

Zomaar op een dag 
Ofschoon er al dagen over niets anders meer gepraat werd en het hele huis gepoetst en geruimd was, kwam ze onverwacht ineens binnen. Zomaar op een dag was mijn moeder toch weer thuis. Het eerste wat ze deed, was met Riet, Nellie en mij op de fiets naar Wessem gaan. Eindelijk gingen we mijn kleine zusje ophalen. Marlène, toen nog Marleentje, wilde helemaal niet mee. Ze kende haar eigen moeder niet en schopte en sloeg toen ze in het fietsstoeltje werd getild.

Onderweg terug naar huis vroeg ik of we dat mormel niet terug konden brengen, want ze bleef maar brullen dat ze niet mee wilde. Tot mijn ontzetting sloeg ze met gebalde knuistjes op de rug van mijn net terug gekeerde moeder. Tot Nellie afstapte en uit haar tas wat snoep haalde. Daar was Marleentje eventjes blij mee, tot ze zag dat ik ook wat kreeg en ze nog heftiger tekeer ging. De snoepjes waren alleen voor haar, die had zij in Wessem gekregen.

Tegen de tijd dat we Thorn binnen fietsten, ik bij Nellie achterop, sliep ze en werd voorzichtig in haar bed gelegd. In het kleine ledikantje, dat tot mijn verbijstering naast het bed van Rens was neer gezet. Wat moeten wij met haar? Dat liet het kleine meisje niet aan het toeval over, ze wist precies wat ze wilde en nog veel beter wat ze niet wilde.

Het was tante Neelke die zich over haar ontfermde en mij langzaam overhaalde om met haar te spelen. Ik vertelde haar verhaaltje als we samen in de tuin speelden. Ze had kleine blonde krulletjes, waar ik niet aan durfde te voelen, bang dat ze lelijk zou gaan doen.

Een tuin om in te spelen, een grote vanzelfsprekendheid voor mij, was voor Marleentje volkomen nieuw terrein. In Wessem, bij tante Lena was weliswaar een veel grotere tuin met een veel groter kippenhok, alleen lag die tuin achter het slachthuis, aan de overkant van de markt. Daar was ze een enkele keer even geweest als ze mee mocht om de was te gaan ophangen.

Het was in onze tuin dat we elkaar vonden, zij en ik, want als ik speelde verzon ik verhalen en zij was al snel mijn dankbaar en aanvullende publiek. Haar fantasie droeg bij aan ons spel en op een dag, ze was net uit bad en droog gewreven, mocht ik haar krulletjes kammen. Vanaf die dag hoorde ze er voor mij helemaal bij.

Toen en nu
Mijn oude wereld was verdwenen, die lag heel ver weg, in het land waar mijn overleden oudtante Lena en opa waren. Een enkele keer dacht ik eraan, zonder er naar terug te kunnen verlangen, want die vele, moederloze dagen lagen tussen toen en nu. Mijn oude wereld bestond niet langer en werd stilaan onwerkelijk.

Al na een paar dagen was het leven met mijn moeder weer zoals het hoorde. In de ochtend zag ik haar niet, wel antwoordde ze als ik naar boven riep dat ik naar school ging. De eerste dagen rende ik zo snel ik kon na school naar huis, waar ze als vanouds haar aandacht verdeelde tussen de winkel en het huishouden. Enige verlichting had ze gekregen in haar werk, want in het washok achter het huis stond een wasmachine, waar de was in gekookt en gewassen kon worden.

Op de dagen dat ik naar de kleuterschool was, ging Marlène parmantig met Neelke mee. Rens had intussen mijn fietsje ontdekt en verkende daarop de grote wereld van het dorp. Na school zat het kleine meisje te wachten tot haar twee grote zusjes en twee nog veel grotere broers terug kwamen.

Elis J.G.

Dit is het derde en laatste deel van: Uit een onbezorgd kinderleven. Eerder verschenen deel 1 en deel 2.

 

Reageren

  • HTML niet toegestaan. URL's worden automatisch clickable.
    * E-mail adres wordt niet getoond