Uit een onbezorgd kinderleven (1)

11-08-2015
Redactie
Uit een onbezorgd kinderleven (1)

'Midden in de nacht zat ik met mijn kleine broertje Rens op de grote bank aan tafel bij de buren, bij tante Bil, kort voor Sybilla. We waren even tevoren uit bed geplukt, terwijl in huis iedereen door elkaar rende en opgewonden riep. In die chaos kwam de nuchtere constatering: “Eerst ‘s die twee kleintjes de deur uit!” En weg waren we, Rens en ik. Nog half slapend werden we bij onze buren gebracht.' Hoe een onbezorgd kinderleven van de ene op de andere dag nooit meer hetzelfde zal zijn. Een verhaal in drie delen dat je meevoert naar een naoorlogse jeugd. 

Vanaf die nacht was thuis alles anders, leerden we de volgende ochtend toen we werden opgehaald door Nellie, onze grote nicht uit Wessem. De drie grote kinderen, Jos, Walther en Riety, waren al naar school. Rens en ik zagen meteen dat niet alleen onze moeder weg was, ook ons nieuwe zusje Marlène was verdwenen. Nellie vertelde dat moeder in het ziekenhuis lag en, omdat ze nog zo klein was, Marleentje mee moest.

Niemand van ons kon weten dat deze situatie ruim een jaar zou gaan duren. Wat er die nacht gebeurd was, begreep ik pas veel later. Rens was anderhalf en ik net 3 jaar, toen het mijn moeder boven haar hoofd groeide. Ze lag in het kraambed van haar zesde kind, het derde in krap drie jaar. Naast haar gezin dreef ze een eigen winkel en had de dagelijkse zorg voor haar tantes, de twee oude vrouwen in huis. 

Vrouwen hadden nog weinig hulpmiddelen in de huishouding in het jaar 1949. Op 27 augustus, op de dag af een maand voor de bevalling, was na een zwaar ziekbed tante Lena gestorven, de jongste van de twee tantes. Anders dan de bazige tante Neelke, was tante Lena zorgzaam en makkelijker in de omgang, aardiger ook en altijd bereid om even op de twee kleintjes te passen. 

Zo bleek en heel stil
De dood van tante Lena had mijn moeder veel verdriet gedaan, ze huilde toen ze me meenam om afscheid te nemen. Tante Lena lag opgebaard in de grote voorkamer van de dames Nouwen, ik moest op een stoel gaan staan om in de kist te kunnen kijken. Het maakte mij ook verdrietig en ik huilde samen met mijn moeder, omdat die lieve tante daar zo lag, bleek en heel stil.

Voor mijn moeder was de verhuizing naar haar tantes Nouwen, drie jaar eerder, een thuiskomst geweest. Thuis was ze weer, in het huis waar ze vanaf haar zesde tot haar veertiende was opgegroeid. Met de twee oude vrouwen, haar tante Neelke en tante Lena, was ze altijd vertrouwd gebleven, bovendien bewoonden beide dames een apart gedeelte van het huis. 

Mijn moeder was er alleen niet op voorbereid geweest hoe het zou zijn voor haar man, mijn vader. Soms, vertelde ze later, had ze heimwee naar de eerste jaren van haar huwelijk, in het huis van haar nog vitale, opgewekte schoonvader Brouns, aan de Bogenstraat. Daar hadden ze zich allemaal thuis gevoeld, zij was er welkom en werd gewaardeerd. 

Toekomst
Vol plannen voor hun toekomst werkte mijn vader aan de opbouw van zijn eigen zaak, een elektrotechnisch installatiebureau. In de jaren van opbouw was er voor hem werk te over en ze maakten plannen voor uitbreiding met een winkel. Het aanbod van haar peettante Neelke, die van de plannen gehoord had, paste daar helemaal in: wonen in een groter huis, waar al winkelruimte was, met een grote tuin erachter. Het huis dat bij testament aan haar vermaakt werd.

Pas toen het te laat was, merkte mijn moeder dat het leven voor mijn vader sinds de verhuizing drie jaar eerder, volledig op z’n kop stond. Van de geliefde jongste zoon in het huis van zijn vader, die hem waardeerde en steunde, wist hij zich door tante Neelke alleen maar getolereerd. Hij miste zijn vader, die bij de verkoop van zijn huis naar Wessem verhuisd was. 

Mijn moeder worstelde met haar dubbele loyaliteit aan de man waar ze van hield en de tantes die haar hadden opgevoed en een goede, dure opleiding hadden geboden. Schuldgevoel had ze, dat zij die de kans gekregen had zich te ontwikkelen, niet aan de verwachtingen van haar peettante Neelke kon en wilde voldoen. Nog groter was haar gevoel van schuld ten opzichte van haar schoonvader, die op z’n tachtigste zijn huis en dorp had moeten verlaten.

Voorbij
Vanwege het vertrek van haar gezin, was het huis aan de Bogenstraat verkocht. Die gelukkige jaren waren definitief voorbij, haar schoonvader Brouns woonde de laatste jaren in Elsloo, te ver om even langs te komen of gaan. In haar kraambed eind september werden de spanningen haar teveel, bovenal het besef dat er geen weg terug was. Mijn moeder stortte in, volledig. 

Na een korte tijd in het ziekenhuis van Roermond, waar de artsen verder niets voor haar konden doen, werd ze overgebracht naar een rusthuis in Maastricht. De baby Marlène, die aanvankelijk mee moest naar het ziekenhuis, werd naar Wessem gebracht, naar de andere tante Lena, een van de vier zusters van mijn vader. Dezelfde tante Lena die meteen gebeld was bij de opname van mijn moeder en onmiddellijk voortvarend haar dochter Nellie naar Thorn stuurde.

Het was een vreemde tijd. Rens was te jong om te beseffen wat er gebeurd was. Hij waggelde regelmatig de deur uit naar het huis van de buren, waar tante Bil hem gastvrij ontving. Al heel gauw had Rens in de gaten, dat de beste tijd om naar tante Bil te gaan, het moment was waarop haar man thuis kwam om te eten. De zonen van tante Bil maakten grapjes en ze gaven hem de lekkerste hapjes van hun bord. Zodra Rens die op had, kwam  
hij naar huis om verder te eten. Maar onze twee grote broers, Jos en Walther, hielden hun lekkerste hapjes zelf en plaagden hem. Rens was een opvliegend kereltje, een ventje dat als hij geplaagd werd uit zijn vel kon springen en zijn grote broer Walther van 10 jaar met een vork in zijn wang stak. 

'Gespuis'
Tante Neelke liet zich, machteloos als ze zich bij dergelijke taferelen voelde, wel ’s een stille klacht ontvallen. Jos, 11 jaar, en Walther verschilden in die tijd onderling regelmatig van mening, waarbij het een keer zo hoog opliep – vader aan het werk, moeder in het ziekenhuis, Nellie in de winkel -  dat tante Neelke de handen in de lucht gooide en de tuin inliep, terwijl ze uitriep: “Mijn God, mijn God, wat moet van dit gespuis terecht komen?” We hebben in later jaren die uitspraak vaak herhaald. 

Elis J.G.

Dit is het eerste deel van: Uit een onbezorgd kinderleven.
De komende dagen volgen nog deel 2 en deel 3.

Foto bovenaan: staand vlnr: Walther en Jos, zittend vlnr: Riety, Elis, Marleentje en Rens.

 

Reageren

  • HTML niet toegestaan. URL's worden automatisch clickable.
    * E-mail adres wordt niet getoond